Kind wisselt vaak tegen zijn zin van hulpverlener

Drie op de vijf kinderen met meerdere problemen wisselen tegen hun zin van hulpverlener. Vooral kinderen die in een groep wonen, zien veel hulpverleners. Dat blijkt uit interviews van Stichting Het Vergeten Kind met kinderen en jongeren die in beeld zijn bij de hulpverlening.

De geïnterviewde kinderen, die hulp krijgen voor een combinatie van problemen, zien veel hulpverleners. Het maakt niet uit of ze die hulp thuis krijgen, in een pleeggezin, in een gezinshuis of in een instelling. Bij kinderen die in een groep wonen, is het aantal het hoogst. Zij hebben in hun leven gemiddeld al 64,6 hulpverleners gehad.

Drie op de vijf kinderen zeggen dat het contact met een hulpverlener is gestopt terwijl ze die hulpverlener nog niet wilden missen. Bijna driekwart vindt dat ze te veel hulpverleners hebben gehad en van hen zegt een kwart dat het daardoor slechter met hen gaat. Meer dan driekwart vindt dat ze te vaak hun levensverhaal moeten vertellen. Door de vele wisselingen kunnen ze geen vertrouwensband opbouwen.

Een belangrijke oorzaak is verhuizing van het kind binnen de jeugdhulpverlening. Van de uithuisgeplaatste kinderen hebben bijna vier op de vijf kinderen een verhuizing meegemaakt. Gemiddeld zijn zij zes keer verplaatst.

De kinderen doen aanbevelingen om wisselingen te voorkomen of de gevolgen te verzachten. Ze pleiten bijvoorbeeld voor een vaste poule van invallers. Als overdracht naar een nieuwe hulpverlener nodig is, willen ze dat de vorige hulpverlener nog even contact houdt.

Karlijn Stals, medewerker van het Nederlands Jeugdinstituut: ‘Een warme overdracht is belangrijk. Het voorkomt dat kinderen hun verhaal elke keer opnieuw moeten doen en zorgt voor continuïteit. Op die manier toont de hulpverlener betrokkenheid. En juist die betrokkenheid is voor een kind essentieel. Zeker omdat we weten dat wisselingen voor kinderen ingrijpend zijn.’

‘Toch is het wisselen van hulpverlener niet altijd te voorkomen. Bijvoorbeeld omdat de betrokken hulpverlener een andere baan krijgt of omdat er andere expertise nodig is. In dat laatste geval is het de vraag of die expertise niet op een andere manier in te zetten is, door de hulpverlener met wie het kind al te maken heeft. Bijvoorbeeld met behulp van coaching of supervisie.’

De onderzoekers interviewden 110 kinderen en jongeren van 7 tot en met 24 jaar. Daarnaast hebben 89 hulpverleners een vragenlijst ingevuld.

Bron: Stichting Het Vergeten Kind; Nederlands Jeugdinstituut